zondag 28 februari 2016

Intelligentie uit boeken halen?


Vrijdagavond zat ik een documentaire van de VPRO te kijken over Google Books: Google en het Wereldbrein. Het wereldbrein was een idee van HG Wells, een laat-victoriaans scifi-schrijver. Uit 1937. Hij hoopte alle kennis, ideeën en prestatie van de mensheid in één kaartenbak (index) bij elkaar te brengen. Dat is duidelijk niet gelukt en daar was Wells destijds heel boos over.

Maar de mannen van Google, en dan vooral Page en Brin, zijn bezig het nog eens over te doen, met Google Books. Daar ging de documentaire over. Omdat ze lak hebben aan het auteursrecht van anderen (probeer niet aan het PageRank-algoritme te komen), is dat een beetje vastgelopen: met name in Europa mag Google niet zomaar alle teksten die ze ingescand hebben (want daar komt Google Books op neer: scannen van alles wat los en vast zit in de bibliotheekwereld) op het net laten zien. De Amerikaanse rechter durfde al niet tegen Google in te gaan.

Maar wat wilden die Google-mannen eigenlijk met al die boeken, behalve nog wat meer persoonsgegevens binnenharken: wie wat leest en dat soort dingen? Kevin Kelly wist dat wel. Hij heeft ooit meegedaan bij het opzetten van Wired, dus hij heeft wat te vertellen in die wereld, ook al heeft hij dezelfde primitieve opvattingen over intellectuele eigendom als de Google-mannen. Brin en Page wilden - willen- volgens hem wat Wells niet gelukt is: alle kennis van de wereld digitaal op een stel servers en vervolgens in een kunstmatig brein, om daar dan kunstmatig intelligente dingen mee te doen. Google wil immers ook vragen kunnen beantwoorden als "wat zal ik eens gaan doen vandaag" of "hoeveel Amerikanen hebben een paspoort?".

Hoe dat eruit zou kunnen zien? Halverwege de documentaire was een stukje van de aflevering van Jeopardy! te zien, die door IBM's Watson is gewonnen. Watson, een losse computer (los van het Internet) heeft zijn eigen boekencollectie ingebouwd en ook nog een serie "algoritmes" (chique naam voor losse programma's of software) om daar antwoorden uit te peuren. Misschien voorspelt dat wat Google Search gaat kunnen als het al die Google Books uit heeft?

Op dit moment krijg je als antwoord op vragen aan Google een lijst documenten, waar je zelf maar wijzer uit moet zien te worden, maar een enkele keer krijg je direct antwoord. Zoek maar eens op "wie is de koning van Spanje".

Dat leek me nou een mooie gelegenheid om te kijken wat die Watson allemaal kan. In 2011, want toen was die uitzending van Jeopardy!, een quiz waar de vragen soms in de vorm van cryptogrammen worden gesteld. Ik had niet verwacht dat ik onder de indruk zou zijn. Ik vind AI een enorme hype en het aantal problemen dat je met patroonherkenning en predictive analysis kunt oplossen is maar beperkt. Maar een computer die vragen als:

"To push one of these paper products is to stretch established limits"

kan beantwoorden is toch wel erg interessant.

Heel knap dus, maar wat heb je kun er nog meer mee, behalve aan Twee voor Twaalf meedoen?

Denk even terug aan de schaakcomputer, ook een IBM-ding. Het is fantastisch als je een grootmeester kunt verslaan, maar welke praktische problemen kun je verder oplossen als je goed kunt schaken? Antwoord: helemaal niks. Goed kunnen schaken is niet hetzelfde als intelligentie. Een spelletje Go winnen van de Europese kampioen trouwens ook niet.

Datzelfde geldt voor Watson en natuurlijk ook voor Google Zoeken: vragen beantwoorden door woordenboekdefinities, handboeken en encyclopedieën te sorteren en door elkaar te husselen is toch wat anders dan begrijpen wat er staat.

Raar eigenlijk dat Google zo ver achter ligt op IBM's Watson.

dinsdag 8 september 2015

Waarom Amerikaanse websites de wereld domineren en wanneer het mis gaat

Puking Eenhoorn SweatersIk lees graag Monday Note een blog van twee Fransen over digitale dingen. De een is de digitale baas van Les Echos, het Franse FD. De andere, Jean-Louis Gassée, is een gepensioneerde Apple watcher. Apple interesseert me niet zo, maar de verhalen van die nieuwsman, Frédéric Filloux wel. Dat is een uitgever, goed volk.

Als rechtgeaard Fransman maakt hij zich druk over de Amerikaanse overheersing van het Internet. Minder Frans is dat hij daar een objectievere verklaring voor zoekt dan imperialisme, de onweerstaanbare aantrekkingskracht van de pulpmedia aan die kant van de wereld of wat je nog meer voor moralistisch kunt bedenken.

Waar hij wel mee komt als verklaring zijn hogere onderwijsuitgaven. Sprekend voorbeeld: de Ecole Polytechnique heeft 7 hoogleraren informatica, Harvard en de andere Amerikaanse topuniversiteiten hebben er honderden. Daarmee kun je dus meer intelligente mensen opleiden tot programmeur. Wie aan deze kant van Lille heeft er trouwens ooit van de Ecole Polytechnique gehoord?

 


Geld


Een andere verklaring is dat in Amerika het geld voor het oprapen ligt. Geld om Internetbedrijven op te starten. Dit grafiekje geeft het wel aardig weer.





We krijgen hier gewoon het geld niet bij elkaar. En dat terwijl de Europese economie groter is dan de Amerikaanse. Een fractie, maar toch (18.526 miljard tegen 17.418). Een fractie van 1.000 miljard trouwens, daar zou ik makkelijk mee met vervroegd pensioen kunnen, om nog meer blogjes te schrijven.

Even een nuance: in de EU hebben we 500 miljoen mensen nodig om dat bij elkaar te harken, in de VS lukt het al met 300 miljoen.

Bubbels


Wat ik nou leuk vind is om hier een berichtje tegenover te zetten over de geldwereld in de VS, die van de VCs (50 jaar geleden betekende die afkorting trouwens Vietcong, als ik er even wat ouwelullenpraat doorheen mag gooien). Venture capitalists, durfkapitalisten.

Eerder deze maand vroeg Nick Bilton van Vanity Fair (van de eerste had ik nog nooit gehoord, van Vanity Fair natuurlijk wel, maar ik dacht dat dat alleen over Hollywood ging) zich af of het geld niet iets te hoog tegen de plinten klotst in San Francisco en er weer een bubble op barsten staat, net als in 2000, toen ik 30.000 gulden ben kwijtgeraakt aan beleggingsfondsen die even niet meer wilden. Op een inleg van 40.000. Au. Nooit een boterham minder om gegeten trouwens.

Bilton zoekt enthousiast naar aanwijzingen voor dreigende rampspoed. Bijvoorbeeld dat Snapchat undergraduates wegkoopt van Stanford met salarissen van USD 500.000. (Lijkt me slecht voor je karakter). Een andere aanwijzing vindt hij in de nieuwbouw van Facebook en Google, want er schijnt een samenhang te zijn tussen hoogbouw en crisis. Het Empire State Building werd bijvoorbeeld net voor de crash van 1929 opgeleverd.

Iets meer overtuigend - en dan komen we bij de VCs - is dat er op dit moment meer dan 100 eenhoorns zijn, unicorns. Dat zijn startups die 1 miljard dollar of meer waard zijn.

Dat lijkt mooi - en dat is het natuurlijk ook wel - maar het is niet helemaal duidelijk wie bepaalt of een startup 1 miljard waard is. Bilton citeert een eigenaar die zegt: we zijn zelf maar gaan roepen dat we 1 miljard zijn, anders wil er niemand voor ons werken.

Nog lastiger is dat een unicorn maar twee manieren heeft om zich te ontwikkelen. Hij kan naar de beurs, maar dat heeft alleen zin als hij omzet maakt (winst is ook handig), om lekker te cashen, of doorgroeien, door nog meer geld van VCs aan te trekken.

Dat houdt natuurlijk een keertje op en dan knapt er een bubbeltje. Hoe meer unicorns, hoe meer bubbels. Riskant.

Maar ja, hier in Europa zouden we wel graag wat van die bubbels hebben. Dan doen we tenminste ook een beetje mee.

dinsdag 23 september 2014

Veranderen voor werknemers

Er is een eindeloze stroom van managementliteratuur over verandering. Die weinig helpt, want het gaat meestal fout. Een leuk blogje over hoe het makkelijk beter kan is dit (wel eerst gratis registreren), van Willem Mastenbroek . En passant maakt hij even gehakt van de 'burning platforms' van John Kotter. Dat is een managementhoogleraar die een standaardwerk over change management heeft geschreven, Leading Change, met heel veel anekdotes en heel weinig voetnoten (0). In de managementwereld kom je daar kennelijk mee weg (Kotter was zelfs hoogleraar aan Harvard).

In de wereld van de gedragstherapeuten waar ik tegenwoordig rondloop (op maandagen) is dat helemaal anders. Daar gebeurt niks als het niet evidence based is, op degelijke randomized controlled trials, die liefdevol RCTtjes worden genoemd. Grappig eigenlijk. Je zou verwachten dat die softe psychologen volledig op hun intuïtie af zouden gaan en die managementbikkels juist uitsluitend op kneiterharde cijfers.

Toen ik vorige week rondliep op het jaarcongres van de vereniging van Europese verenigingen voor gedragstherapie - in het voormalige Congresgebouw, in de zalen waar ooit iedere zomer het North Sea Jazz Festival woedde - vond ik in de boekenkraam een boek over verandering van zo'n gedragstherapeut. Socratisch motiveren heet het, van Martin Appelo. Het was trouwens niet moeilijk te vinden, want er lagen drie stapels van, ieder een halve meter hoog. De uitgever ziet het kennelijk wel zitten met dat boek.

Ik vind het leuk om te kijken of Appelo's ideeën over gedragsverandering bij patiënten ook werken in de wereld van de werknemer. Dat zijn ook mensen. Misschien kunnen management consultants dan wel iets leren over verandering van de cognitieve gedragstherapie.

Het boek is trouwens geschreven om goedwillende therapeuten en andere hulpverleners - zelfs mediators, zoals ik - te helpen geen energie te steken in patiënten of cliënten die niet geholpen willen worden, ook al doen ze in de spreekkamer wel alsof. Dat is nodig, want veel hulpverleners zijn moe, op een burn out af, van hun dagelijkse pogingen mensen die niet willen veranderen toch een beetje de goede kant op te sjorren. Het is nobel daar iets aan te doen, want het voorkomt burnout en het scheelt ook nog eens belastingcenten, want het maakt behoorlijk wat behandelingen overbodig.

Dit wordt lang.

Appelo heeft een formule gemaakt voor veranderingsbereidheid:
In woorden:
Voor duurzame gedragsverandering zijn innerlijke drang èn discipline èn interne attributie noodzakelijk.
Ik leg alles zo uit. Ik vond het meteen plausibel toen ik het las (maar dat heb ik al snel als ik een gloedvol betoog lees, eerlijk gezegd had ik dat ook met Leading Change van Kotter toen ik de samenvatting las). Maar werkt het ook in een bedrijf? Verandermanagement gaat ook over gedragsverandering, net als therapie. Maar termen als discipline en interne attributie heb ik nog nooit gehoord bij reorganisaties (een populaire vorm van duurzame gedragsverandering bij bedrijven). Spelen die dan wel een rol?

Misschien wordt het nu toch tijd om die interne attributie even uit te leggen: interne attributie betekent dat je de schuld voor mislukkingen bij jezelf legt en niet bij de omgeving. Het management of zo. Misschien is de term nieuw voor verandermanagers, de gedachte vast niet.

Nee, dan discipline. Dat klinkt naar kazernes en kostscholen en die associatie wil een verandermanager vast liever vermijden. Discipline heb je bij Appelo nodig om weerstand te bieden aan ingesleten gewoontes, sociale druk te weerstaan en ziektewinst. Uit ander onderzoek blijkt dat je een goede gewoonte gemiddeld 66 dagen achter elkaar moet herhalen om hem je eigen te maken. Elke dag één glas water leren drinken voor het ontbijt kost minder tijd, elke dag 50x opdrukken aanmerkelijk meer. Hoe lang zou het duren om jezelf aan te leren om klanten dezelfde dag terug te bellen? En dat is dan nog maar één nieuwe gewoonte.

Sociale druk is wel weer een bekende in het verandermanagement. Als je eerst de informele leiders in de kantoortuin omturnt, volgen de lagere rangen in de pikorde vanzelf. En omgekeerd, meer in de denkrichting van Appelo, ga jij niet veranderen als de collega's tegen wie je opkijkt (niet per se je leidinggevenden) dat niet zien zitten.

Ziektewinst lijkt echt iets uit de hulpverlening: het kan fijn zijn om ziek te zijn, want dan krijg je aandacht van autoriteiten, zoals de medisch-specialist, en je hoeft niet te werken. Als je wel wordt doorbetaald, is dat niet meteen een straf. Ik stap hier op glad ijs, maar als je weerstand tegen verandering ook als ziekte ziet, dan snap ik de winst wel: je krijgt vaak de verandermanager langs, die je probeert te overtuigen van de voordelen van verandering, en dat is een duurbetaalde autoriteit, die regelmatig met de topmanagers spreekt die jij alleen bij de nieuwjaarsreceptie van dichtbij ziet. Bovendien kan het bespreken van de reorganisatie met wie het maar wil horen leuker zijn dan je gewone werk.

We zijn bij de innerlijke drang. Volgens Appelo is dat lijdensdruk, maar dan wel in combinatie met een alternatief. Als je geen alternatief hebt, bijvoorbeeld voor je partner, ga je niet zo snel weg, hoeveel je ook lijdt. Lijdensdruk bestaat ook in organisaties, ook al noem je dat anders. Als je niet bang hoeft te zijn dat de boel failliet gaat of dat je ontslagen wordt, of dat je heel vervelend werk krijgt, kom je niet in beweging. Klinkt aannemelijk, toch?

Alternatieven zijn ingewikkelder. Of toch niet? Als je als verandermanager roept dat alles anders moet (klantgerichter, om maar iets te noemen), maar er niet bij zegt hoe dat dan ongeveer moet, is er geen duidelijk alternatief. Bij Appelo verandert er dan niks. In organisaties ook niet, denk ik.

Zo. We hebben de hele formule voor duurzame gedragsverandering in de hulpverlening nu doorgewerkt en gezien dat alle elementen ook in organisaties voorkomen. Daarmee hebben we zo maar ineens een formule waarmee je heel aardig kunt inschatten of een medewerker gaat veranderen. Met een goede steekproef kun je dat dan ook taxeren voor de hele organisatie. En het is ook nog allemaal goed onderbouwd.

Wie vertaalt het even in het Engels voor Kotter? Vergeet de voetnoten niet.