dinsdag 23 september 2014

Veranderen voor werknemers

Er is een eindeloze stroom van managementliteratuur over verandering. Die weinig helpt, want het gaat meestal fout. Een leuk blogje over hoe het makkelijk beter kan is dit (wel eerst gratis registreren), van Willem Mastenbroek . En passant maakt hij even gehakt van de 'burning platforms' van John Kotter. Dat is een managementhoogleraar die een standaardwerk over change management heeft geschreven, Leading Change, met heel veel anekdotes en heel weinig voetnoten (0). In de managementwereld kom je daar kennelijk mee weg (Kotter was zelfs hoogleraar aan Harvard).

In de wereld van de gedragstherapeuten waar ik tegenwoordig rondloop (op maandagen) is dat helemaal anders. Daar gebeurt niks als het niet evidence based is, op degelijke randomized controlled trials, die liefdevol RCTtjes worden genoemd. Grappig eigenlijk. Je zou verwachten dat die softe psychologen volledig op hun intuïtie af zouden gaan en die managementbikkels juist uitsluitend op kneiterharde cijfers.

Toen ik vorige week rondliep op het jaarcongres van de vereniging van Europese verenigingen voor gedragstherapie - in het voormalige Congresgebouw, in de zalen waar ooit iedere zomer het North Sea Jazz Festival woedde - vond ik in de boekenkraam een boek over verandering van zo'n gedragstherapeut. Socratisch motiveren heet het, van Martin Appelo. Het was trouwens niet moeilijk te vinden, want er lagen drie stapels van, ieder een halve meter hoog. De uitgever ziet het kennelijk wel zitten met dat boek.

Ik vind het leuk om te kijken of Appelo's ideeën over gedragsverandering bij patiënten ook werken in de wereld van de werknemer. Dat zijn ook mensen. Misschien kunnen management consultants dan wel iets leren over verandering van de cognitieve gedragstherapie.

Het boek is trouwens geschreven om goedwillende therapeuten en andere hulpverleners - zelfs mediators, zoals ik - te helpen geen energie te steken in patiënten of cliënten die niet geholpen willen worden, ook al doen ze in de spreekkamer wel alsof. Dat is nodig, want veel hulpverleners zijn moe, op een burn out af, van hun dagelijkse pogingen mensen die niet willen veranderen toch een beetje de goede kant op te sjorren. Het is nobel daar iets aan te doen, want het voorkomt burnout en het scheelt ook nog eens belastingcenten, want het maakt behoorlijk wat behandelingen overbodig.

Dit wordt lang.

Appelo heeft een formule gemaakt voor veranderingsbereidheid:
In woorden:
Voor duurzame gedragsverandering zijn innerlijke drang èn discipline èn interne attributie noodzakelijk.
Ik leg alles zo uit. Ik vond het meteen plausibel toen ik het las (maar dat heb ik al snel als ik een gloedvol betoog lees, eerlijk gezegd had ik dat ook met Leading Change van Kotter toen ik de samenvatting las). Maar werkt het ook in een bedrijf? Verandermanagement gaat ook over gedragsverandering, net als therapie. Maar termen als discipline en interne attributie heb ik nog nooit gehoord bij reorganisaties (een populaire vorm van duurzame gedragsverandering bij bedrijven). Spelen die dan wel een rol?

Misschien wordt het nu toch tijd om die interne attributie even uit te leggen: interne attributie betekent dat je de schuld voor mislukkingen bij jezelf legt en niet bij de omgeving. Het management of zo. Misschien is de term nieuw voor verandermanagers, de gedachte vast niet.

Nee, dan discipline. Dat klinkt naar kazernes en kostscholen en die associatie wil een verandermanager vast liever vermijden. Discipline heb je bij Appelo nodig om weerstand te bieden aan ingesleten gewoontes, sociale druk te weerstaan en ziektewinst. Uit ander onderzoek blijkt dat je een goede gewoonte gemiddeld 66 dagen achter elkaar moet herhalen om hem je eigen te maken. Elke dag één glas water leren drinken voor het ontbijt kost minder tijd, elke dag 50x opdrukken aanmerkelijk meer. Hoe lang zou het duren om jezelf aan te leren om klanten dezelfde dag terug te bellen? En dat is dan nog maar één nieuwe gewoonte.

Sociale druk is wel weer een bekende in het verandermanagement. Als je eerst de informele leiders in de kantoortuin omturnt, volgen de lagere rangen in de pikorde vanzelf. En omgekeerd, meer in de denkrichting van Appelo, ga jij niet veranderen als de collega's tegen wie je opkijkt (niet per se je leidinggevenden) dat niet zien zitten.

Ziektewinst lijkt echt iets uit de hulpverlening: het kan fijn zijn om ziek te zijn, want dan krijg je aandacht van autoriteiten, zoals de medisch-specialist, en je hoeft niet te werken. Als je wel wordt doorbetaald, is dat niet meteen een straf. Ik stap hier op glad ijs, maar als je weerstand tegen verandering ook als ziekte ziet, dan snap ik de winst wel: je krijgt vaak de verandermanager langs, die je probeert te overtuigen van de voordelen van verandering, en dat is een duurbetaalde autoriteit, die regelmatig met de topmanagers spreekt die jij alleen bij de nieuwjaarsreceptie van dichtbij ziet. Bovendien kan het bespreken van de reorganisatie met wie het maar wil horen leuker zijn dan je gewone werk.

We zijn bij de innerlijke drang. Volgens Appelo is dat lijdensdruk, maar dan wel in combinatie met een alternatief. Als je geen alternatief hebt, bijvoorbeeld voor je partner, ga je niet zo snel weg, hoeveel je ook lijdt. Lijdensdruk bestaat ook in organisaties, ook al noem je dat anders. Als je niet bang hoeft te zijn dat de boel failliet gaat of dat je ontslagen wordt, of dat je heel vervelend werk krijgt, kom je niet in beweging. Klinkt aannemelijk, toch?

Alternatieven zijn ingewikkelder. Of toch niet? Als je als verandermanager roept dat alles anders moet (klantgerichter, om maar iets te noemen), maar er niet bij zegt hoe dat dan ongeveer moet, is er geen duidelijk alternatief. Bij Appelo verandert er dan niks. In organisaties ook niet, denk ik.

Zo. We hebben de hele formule voor duurzame gedragsverandering in de hulpverlening nu doorgewerkt en gezien dat alle elementen ook in organisaties voorkomen. Daarmee hebben we zo maar ineens een formule waarmee je heel aardig kunt inschatten of een medewerker gaat veranderen. Met een goede steekproef kun je dat dan ook taxeren voor de hele organisatie. En het is ook nog allemaal goed onderbouwd.

Wie vertaalt het even in het Engels voor Kotter? Vergeet de voetnoten niet.

dinsdag 2 september 2014

Kijk nou eens, een uitgeefsucces!

Vorige week liep ik toevallig tegen de documentaireserie van Vice over het kalifaat van IS aan. Ik was nogal onder de indruk, want dit waren de eerste beelden die ik zag van het nieuwe leven in Al Raqqa en omstreken.

Dat kan natuurlijk ook komen omdat ik nooit naar het journaal kijk of naar actualiteitenrubrieken.

Maar toch, ik was geboeid en wilde meer, dus ik ben verder gaan zoeken. Het blijkt dat ze allerlei langere en kortere documentaires maken over van alles en nog wat: Femen, politiek geweld op de Filipijnen, bare knuckle fights in Engeland (waar anders?). Stuk voor stuk boeiend en mooi gemaakt.

De stijl wordt wel gonzo journalism genoemd: de interviewer is regelmatig in beeld en zijn commentaar en zijn emotionele reacties zijn een belangrijk deel van het geheel. Objectiviteit is geen vereiste, er komen geen deskundigen voor de camera en ze doen niet aan handige animaties of uitgebreide achtergrondinformatie. Je ziet alleen de interviewer en de mensen over wie het gaat.

Zo krijg je ook video's die je snel kunt produceren (en ze duren ook geen uur). Vandaag schieten, vanavond monteren, morgen online. Dat is trouwens een deel van de formule: voortdurend nieuwe programma's. Anders loopt je publiek weg.

Hip

En Vice is ongelofelijk hip. De interviewers en programmamakers zijn twintigers of dertigers, met tattoos en goed haar, en de topman, Shane Smith is helemaal een icoon van het snelle leven.

In een interview met de Financial Times mijmerde hij liefdevol over zijn vroegere bestaan: “I would be at the party and would just want to get wasted, take coke and have sex with girls in the bathroom,” Nu is hij 43 en heeft hij, met twee jonge kinderen, vaker zin in een dutje. Toch een wat ander type dan Nancy McKinstry of John de Mol, om maar wat mediabazen te noemen.

Rupert Murdoch, een andere, volkomen onhippe mediatycoon, die meer in geld is geïnteresseerd dan in mooie documentaires, had al vrij snel door dat Vice iets bijzonders is en heeft een aandeel in het bedrijf gekocht. Nu is een combine waar Walt Disney (van Sneeuwwitje) deel van uitmaakt bezig 10% van de aandelen over te nemen.

Business model

Ik ben dan benieuwd waar Vice zijn geld aan verdient. Ik had altijd begrepen dat het in de mediawereld bergafwaarts ging en ik ben wat wantrouwig tegenover startups die miljoenen mensen bereiken, maar nog even niet weten waar het geld vandaan moet komen, behalve dan van venture capitalists. Twitter of zo.

Nou, Vice heeft een eenvoudig businessmodel. (Ik ken er trouwens maar vier: uurtje factuurtje, advertenties verkopen, producten verkopen en abonnementen verkopen): advertenties. Net als Facebook en Google.

Grote merken, zoals Intel, Ray Ban en The North Face, zijn erg geïnteresseerd in de doelgroep van Vice. Jonge mannen (tweederde van het publiek), hoog opgeleid, ze geven 2x zoveel uit aan reizen als gemiddeld, gaan veel vaker uit en zijn 3,4 zo vaak ZZP'er als de gemiddelde (jonge man in Amerika).

Of zoals Smith tegen Murdoch zei: ‘I have Gen Y, I have social [media], I have online video. You have none of that. I have the future, you have the past.’ Best stoer om tegen iemand te zeggen die 5% van je bedrijf koopt.

Generation Y dus, het grootste cohort sinds de babyboomers en het rijkste, ook al is de helft volgens Smith werkloos. De doelgroep staat mooi beschreven in de mediakit.

Net als de tarieven. Je betaalt 45 dollar aan Vice voor iedere duizend keer dat jouw banner wordt bekeken. De video's van Vice worden 550 miljoen keer per maand bekeken. Dat kan leuke bedragen opleveren.

Vice verkoopt overigens nog meer dan banners. Je kunt ze ook een video laten maken, of een hele serie. North Face heeft dat gedaan. Je ziet daarin af en toe iemand in een broek van North Face of zo'n tas. Een stuk minder storend dan product placement in een doorsnee soap. Maar uiteraard is daar controverse over, dus kijk vooral zelf.

En ze schrijven ook nog artikelen. 

De winnende formule?

Video, maar dan ook wel heel veel video, voor Generation Y. En hippe mensen het werk laten doen.

Kan dit ook in Nederland?

Wel ja. Journalisten en videocamera's hebben we hier ook. Hippe mensen ook. Nederland is qua bevolking 1/20 van de VS en met 1/20 van de omzet van Vice kun je een mooie uitgeverij opzetten.

maandag 21 april 2014

Ik en mijn iPad

Sinds ik een Samsung S3 heb, ligt mijn iPad al maanden met een lege accu ongebruikt op tafel. Onder de e-reader, maar dat terzijde. Volgens uitgeef/techblog Monday Note is het over met de iPad. De verkoopcijfers groeien in ieder geval niet meer.

Volgens de mensen van TamTam, met wie ik vorig jaar heb samengewerkt is een smartphone om te snacken, een tablet om een maaltijd te gebruik en een PC (vooruit, een Mac) om te koken. Best een aardige vergelijking.

Waar ik me in vergist heb is dat ik dacht dat je op een iPad ook kon koken. Ik heb geprobeerd hem als blocnote te gebruiken, met een stylus van Adonit, de meest nauwkeurige, maar dan nog krijg je nauwelijks meer tekst op één iPad-bladzijde dan op een PostIt.

Ik heb ook met een draadloos toetsenbord rondgelopen. Dat keyboard van Apple is best klein, maar nog altijd groter dan je iPad. Dan loop je ineens met twee apparaten rond die ieder voor zich best draagbaar zijn, maar samen toch wat veel van het goede.

Verder zijn de tekstverwerkers voor de iPad die ik uitgeprobeerd heb mij te primitief. Ik mis zodra ik ermee aan de slag ga meteen allerlei mogelijkheden van Word, die ik kennelijk vaak gebruik.

Dan blijft er weinig over: gamen (doe ik niet) en video's kijken (doe ik eigenlijk ook niet, ik heb wel een Netflix-account, tot grote tevredenheid van mijn kinderen, maar daarvoor gebruik ik mijn tv).

Het idee van de tablet/iPad was dat hij de missing link zou zijn tussen de smartphone en de PC, maar ik mis daar helemaal niks. Vrijdagmiddag, bij de Mattheus, zag ik wel iemand met een iPad foto's maken. Die heeft een mooie toepassing gevonden: wazige foto's maken met een veel te groot apparaat.

Nog één ding: kinderen zijn er dol op. En hun ouders, die ontploffen van trots als hun tweejarige spontaan gaat swypen en filmpjes kijken. Zou dat de toekomst zijn van de iPad, een spelcomputer voor kinderen tot 12 jaar? Dat was vast niet de bedoeling van wijlen Steve Jobs.

zondag 2 februari 2014

De knipselkrant is terug

"Dit is Jan. Jan doet de knipselkrant. Dat kun je wel zien aan zijn haar." Zo werd een kennis van me ooit eens - lang, lang geleden - voorgesteld aan een nieuwe collega met een tamelijk onregelmatige coiffure.

Voor mensen van onder de 40: in de tijd dat organisaties nog een afdeling Documentatie hadden, zat daar iemand iedere dag met een grote schaar interessante stukjes uit kranten en tijdschriften te knippen, op A4'tjes te lijmen en te kopiëren voor wie het maar wilde lezen.

Net als blogs, mailings en TED Talks nu kwamen die op je mentale actielijst van dingen die je eigenlijk wel had willen lezen of zien, ooit. What's new?

CONTENT CURATION

De knipselkrant is nu weer helemaal terug, we noemen het fenomeen alleen anders: content curation. Het idee is nog steeds hetzelfde: iemand die daar kennelijk de tijd voor heeft ploegt de dagelijkse berichtenbrij op zoek naar interessante dingen.

Anders is wel dat een knipselkrant online veel makkelijker te maken is. Met Evernote of Scoop It kan je interessante webpagina's makkelijk bewaren. Evernote is bedoeld voor persoonlijk gebruik, Scoop It is bedoeld om je knipsels aan de wereld te laten zien. Je krijgt dus geen lijm meer aan je vingers en je hoeft geen fotokopieën aan elkaar te nieten en met de interne post te versturen. Die is er trouwens ook niet meer.

Nieuw is ook dat je er je eigen commentaar makkelijk bij kunt zetten.

MET REDACTEUR

Nog nieuwer is dat er  nu "knipselkranten" zijn die knap geredigeerd worden door mensen die kunnen schrijven. Ik vind Next Draft een mooi voorbeeld: van ene Dave Pell - hij blogt ergens dat zijn dochter van vijf zijn laptop heeft verstopt, omdat het apparaat de concurrentiestrijd om de aandacht van papa met gemak wint - die "the day's most fascinating news" dagelijks in een email-nieuwsbrief zet.

Het is een boeiende en hilarische niewsbrief, niet alleen omdat Pell boeiende berichten vindt, maar ook omdat hij ze op een hilarische manier aan elkaar kletst. Schrijft.

Het belang daarvan hebben ze bij Quartz ook begrepen. Quartz is een soort Economist, maar dan in de vorm van een nieuwsbrief voor je smartphone. Op een website ziet hij er armoedig uit.

Je kunt Quartz zien als een dagblad, dat voor Europese lezers om 6 uur des ochtends in de mailbox ligt. In de mailing worden eigen artkelen aangekondigd en artikelen uit andere bronnen (dat maakt het een knipselkrant).

Er wordt heel veel aandacht besteed aan de redactie van de nieuwsbrief, zodat je verleid wordt om de berichten die aangekondigd worden ook echt te gaan lezen of in ieder geval weet wat je overslaat.

AUTOMATISEREN LUKT NIET ERG

Wat ik hier zo leuk aan vind is dat content curation en digitale knipselkranten als Next Draft en Quartz (zie trouwens ook de zaterdageditie van de Correspondent, waarin interessant leesvoer uit andere media wordt gesignaleerd. Inclusief het aantal woorden!) bewijzen dat er teveel interessante berichten zijn in de wereld om menselijkerwijs te kunnen volgen (oud nieuws).

Kennelijk heb je toch mensen nodig die het belangrijkste voor je bij elkaar zoeken. Herkenbare mensen, die er net zo over denken als jij, en het kaf, waar 99,99% van het Internet uit bestaat, speciaal voor jou scheiden van het koren. Het idee dat je dat kan automatiseren is kennelijk aan het verliezen.

Mooi zo. Ik heb iemand eens horen zeggen dat hij nergens meer een abonnement op had, want hij had Zite en dat hield wel voor hem bij wat belangrijk was. Ik ben er nu nòg verontwaardigd over.






woensdag 27 november 2013

"The publishing industry is in love with their own demise"

Gisteren naar de Nationale Uitgeefdag geweest in Den Bosch van Mediafacts. Zoals ik had kunnen weten is die vooral bedoeld voor uitgevers van vakbladen en publieksbladen.

Van oudsher althans. Gisteren kwamen ze nauwelijks aan het woord. Blogs (TheNextWeb) en kranten (Volkskrant en De Standaard) daarentegen wel. En die hadden nog wat interessants te vertellen ook.

Huisgenoot P: een nieuwe en betere digitale Volkskrant

Mediafacts had Philippe Remarque (hoofdredacteur van de Volkskrant, huisgenoot P. uit de columns van Sylvia Witteman) weten te boeken. Die wilde ook graag komen vertellen wat de Volkskrant digitaal van plan is. Hij begon zijn verhaal met de tevreden vaststelling dat er nog aardig wat leven in zijn ochtendblad zit, hoewel bij de doorbraak van het Internet, zo rond 1995, meteen ook maar het nabije einde van de krant werd aangekondigd.

Onze krant gaat digitaal in de aanval door alles wat op papier staat binnenkort ook op de website te zetten, maar dan wel met het grootste deel achter een betaalmuur. Op die manier krijgen mensen die alleen de website kennen (ongelofelijk, en, nog ongelofelijker, sommigen daarvan solliciteren er ook nog als journalist) een idee van wat de krant nog meer te bieden heeft en dat kan nieuwe abonnees opleveren.

Verder komt er een variant voor abonnees die meer willen dan gratis nieuws, maar niet bereid zijn de volle mep van een abonnement te betalen. Als ik het goed heb begrepen komt daarvoor een avondblad-app, waarmee je vanaf 10 uur 's avonds 10 artikelen kunt lezen.

Ben benieuwd. Het prototype zag er mooi uit. Dat klinkt een beetje dom. Ik bedoel daarmee dat er voorzichtig wordt geprobeerd om video, audio en andere media te gebruiken. De vormgeving is altijd al goed bij de Volkskrant.

Een type in de zaal vroeg of de Volkskrant echt zelf ging bepalen wat de lezers voor nieuws voorgeschoteld krijgen. Die kreeg op zijn kop. Het bestaansrecht van een krant is dat een legertje mensen die ongeveer net zo als de lezer tegen de wereld aankijken (de redactie) dagelijks op pad gaat om uit te vissen wat die lezer mooi, belangrijk of interessant zou kunnen vinden en daar netjes verslag van doet. En het een allemaal een beetje uitlegt.

De Standaard: nieuw digitaal avondblad

Helemaal uit België was Karel Verhoeven langsgekomen om te vertellen over de digitale avondkrant die hij heeft laten maken, met de smakeloze naam "dS Avond". Ze hadden eerst het idee een papieren avondkrant te maken. België kent nog geen avondbladen.

Het 0-nummer werd door de testlezers helemaal de grond in geboord: "We hebben de ochtendkrant nog niet eens uit als we thuiskomen", "'s Avonds zijn we moe". Tegelijkertijd kijkt half Vlaanderen iedere avond naar een nieuwsrubriek op de buis. 2 miljoen mensen zijn dat, dat soort dingen weten we in Nederland niet.

De Standaard heeft er een experiment in "digital storytelling" van gemaakt. Het resultaat is een "visuele en lichte" iPad app, "maar niet onbenullig", met een hele strakke, vaste formule.

Die slaat wel aan. 10 tot 20% van de abonnees downloadt hem (uitschieters naar 55.000 download op een kleine 90.000 abo's) en leest er gemiddeld 17 minuten in. Om 9 uur 's avonds zit heel Vlaanderen met zijn iPad op de bank, want rond dat tijdstip wordt er het meest gelezen.

Nu gaan ze nadenken of ze er ook wat aan kunnen verdienen.

The Next Web: innoveren zonder geld (en plan)

The Next Web is een technologieblog, die ik een keer heb gelezen en vrij saai vond, maar er zijn miljoenen mensen die daar anders over denken dan ik.  Ze (zij van The Next Web) doen ook in conferenties. Boris van Veldhuijzen van Zanten (spelling is gecontroleerd) is een van de bazen en is een Nederlands Internet Icoon (bij gebrek aan Zuckerbergs). Hij sprak de zaal graag een half uurtje toe, zonder sheets, wat ook wel eens leuk is.

Het ging vooral over hoe klungelig het innovatieproces bij The Next Web verloopt, en dat dat helemaal niet erg is. TwitterCounter, bijvoorbeeld, is in één weekend bedacht. Omdat Boris niet goed genoeg kon programmeren om zijn eigen statistieken onzichtbaar te maken, kon je op de eerste Twittercounter (die van hemzelf) iedereen zien hoeveel volgers hij had (toevallig nogal een behoorlijk stel). Iemand vond dat interessant en wilde ook wel zo'n TwitterCounter. Boris had wel de tegenwoordigheid van geest om te vragen hoeveel hij daarvoor over had en zo is er een product ontstaan dat een ton per maand oplevert.

Hij had ook een alleraardigste anekdote over een conferentie waar hij voor was uitgenodigd. Na afloop was er een party in een nachtclub waar je voor 5.000 dollar je product kon laten zien aan een tafeltje langs de muur en voor 10.000 dollar mocht je even pitchen op de dansvloer.

Boris en zijn makkers vonden dat allemaal veel te duur en besloten in plaats daarvan alle vier een wit pak aan te trekken en een flinke doos viltstiften mee te nemen. Iedereen die meer wilde weten over The Next Web mocht daar zijn emailadres opzetten. Vier lange mannen die met witte colbertjes staan te zwaaien op de dansvloer trekken een stuk meer bekijks dan een beeldscherm op een tafeltje, dus dat werkte.

De moraal van Boris is dus: loop niet gelijk naar een Venture Capitalist om twintig miljoen op te halen, maar probeer gewoon wat en kijk of het werkt. Vergelijk the Minimal Viable Product van The Lean Startup.

Met zichtbaar plezier vertelde hij over de afgang van The Daily, de eerste iPad-krant, die met 150 miljoen startkapitaal de mist in is gegaan, terwijl zijn eigen iPad magazine het leuk doet voor een fractie van dat bedrag.

Trend: ipad publishing

Het viel me op dat op de begeleidende beurs vier kraampjes (op de 20) software aanboden om van je krant of tijdschrift volautomatisch een publicatie te maken voor je iPad, smartphone of voor het Web.  Vier!

Ik ben bij een van hen, Twipe, gaan informeren of ze ook klanten hebben en dat bleek helemaal niet tegen te vallen. Ze waren al aan het expanderen in Nederland (het is een Belgisch bedrijf) en Nederland.

De software is er dus om mensen die graag 's avonds iets op hun tablet lezen te bedienen. En informatie die je leest via een app heeft meer impact dan wat je zelf bij elkaar surft op het web.

Business models

Het ei van Columbus, waarmee vakbladen en kranten zo rijk als Google worden, weigert hardnekkig gevonden te worden. Er zijn nauwelijks online media die iets verdienen aan abonnementen. Hooguit kranten die iets bijverdienen aan apps of een paywall, maar die exploiteren zo wat ze in papieren tijden hebben opgebouwd aan goodwill, naamsbekendheid en klantenliefde.

De andere grote inkomstenbron voor tijdschriften, advertentie-inkomsten, droogt alleen maar verder op. Of beter gezegd: dat geld gaat allemaal naar Google (een derde van de wereldwijde digitale advertentieomzet, die op 117 miljard dollar wordt begroot voor 2013), de Priusrijdende wereldverbeteraars die achter uw rug uw persoonsgegevens doorverkopen aan adverteerders.

Toevallig liep ik oud-collega Michiel B. tegen het lijf, die, toen zijn vorige werkgever en hij elkaar zat waren, een tijdschrift heeft gekocht, Maison en France ("Dat is nog eens wat anders dan een camping beginnen", riep ik meteen enthousiast, maar dat vond hij vreemd genoeg minder leuk dan ik). Hij organiseert daar ook een beurs bij en het verbaasde hem hoe weinig andere bladen dat doen.

Dat zie je vaker: het blad blijft bestaan, op papier of online, maar de inkomsten komen veel vaker uit beurzen, conferenties, een webshop (kijk maar eens bij de Volkskrant, die daar ook veel voor adverteert in de ruimte die niet wordt verkocht) en bij vakbladen misschien wel uit advies.

Maar voorlopig blijft het sappelen. De publishers kunnen hun demise nog even blijven koesteren. Dat was trouwens een sneer van iemand van Amazon, toen die een dienst voor self publishing lanceerden en uitgevers zich daardoor gekwetst en bedreigd voelden.

Vroeger, toen tablets nog van steen waren, heette zoiets een vanity press. Denk aan het Wereldtijdschrift in Lijmen/Het been van Willem Elsschot). Daar zit wel geld in.

dinsdag 8 oktober 2013

Krantenberichten op het Net!

InCT, de community voor publishing professionals, komt met een leuke vraag:
Er zijn onlangs vier nieuwe diensten gelanceerd om artikelen online aan de man te brengen:
1: Alexander Kloppings Blendle
2: het opnieuw gelanceerde eLinea
3: De Correspondent van Rob Wijnberg
4: MyJour

Welke van de vier denkt u dat het meest succes zal hebben?
Interessante vraag! De inzet is om goede artikelen uit goede kranten toegankelijk te maken voor mensen die geen abonnement hebben, maar wel af en toe een interessant artikel willen lezen. Tegen betaling.

De Correspondent past niet in dit rijtje, want die recyclet geen artikelen uit andere kranten en tijdschriften. Het correspondentennetwerk van de Correspondent schrijft zelf en voor 60 euro mag je een jaar meelezen en meedoen.

Ik denk dat degene gaat winnen die:
  1. de meeste interessante artikelen aanbiedt
  2. die een leuke prijs weet te vragen
  3. de aandacht van de lezer weet vast te houden
  4. de infostress vermindert
Zal ik dat maar even uitleggen?

Aanbod
Het is denk ik wel duidelijk dat de kwaliteit en de omvang van het aanbod doorslaggevend zijn. Als je de Volkskrant en de NRC meehebt, zoals Blendle misschien, ben je al een heel eind.

Prijs
20 cent voor een artikel is niet zoveel, maar je wilt dan wel weten waar je aan begint. Als een artikel je wordt aangeraden door een Twittervriend leg je dat zo neer, als je zelf al bladerend je keus nog moet maken gok je regelmatig verkeerd. In een krant (papier) zie je al scannend wel of iets interessant is, online is dat lastiger. 20 cent weggooien is nog te overzien, 3 x 80 cent is al een beritje in het café.

Van de andere kant wil de krantenuitgever er ook wat aan verdienen. Spotify wordt wel eens als interessant voorbeeld genoemd, maar een artiest verdient daar 0,4 cent per keer dat er een nummer van hem wordt afgespeeld. Daar kan niemand van leven.

Ik ben dus benieuwd of er een mooi evenwicht wordt gevonden, waarbij iedereen wat overhoudt. Blendle wil alvast 30% van de koek (net als Apple van iedere betaalde app opeist) en dat is best veel. Om die reden maakt Blendle zelf bijvoorbeeld geen app!

Leuke vraag voor een marketeer.

Aandacht vasthouden
Ik merk dat mijn aandacht voor de Correspondent weer verslapt. Ik heb nu de dagelijkse emailalert maar aangezet, maar daar krijg ik er dagelijks ook een stuk of tien van (Scoop.it, LinkedIn, Intermediair, enz.).

Als de onlinediensten dus meer willen zijn dan een webshop waar je een artikel koopt, moeten ze daar iets op verzinnen. Iets dat ongeveer net zo lastig te negeren is als een krant die iedere dag onverbiddelijk op je deurmat ligt.

Infostress
Iedereen is benieuwd naar spectaculaire artikelen met nieuwe inzichten of hilarische inhoud, maar iedereen wordt tegelijkertijd gek van alle informatie die zich via alle media probeert op te dringen. Als je een aantal feeds probeert bij te houden, bijvoorbeeld, kost je dat heel veel tijd en de vraag is of die je hebt en of je die niet beter kan besteden.

Zoals journalisten vroeger de telex van het ANP in de gaten hielden, moet je je online nu zelf door een tsunami aan nieuws en ander wetenswaardigs werken. Ik vind het zelf handiger om daar een legertje journalisten voor in te huren. Dat kost EUR 360 per jaar en daarbij inbegrepen is een print die je iedere ochtend in de bus krijgt.

Het schijnt (Alexander Klöpping) dat mensen van onder de 50 dat een slechte deal vinden en elkaar rondtwitteren en facebooken wat de moeite van het lezen waard is (vaak overigens krantenartikelen!). In dat geval zullen de vier online diensten waar ik het hier over heb je infostress niet vergroten.

Als je de sites (MyJour en eLinea) zijn al live gaat bezoeken, word je echter overstelpt met informatie. Het is, zoals gewoonlijk, niet meteen duidelijk, wat er te vinden is en wat de moeite waard is. Bah. Het leven is lastig zonder Twittervrienden.

Conclusie
Ik denk (nu althans, herinner me a.u.b. later niet aan eventuele vergissingen) dat het interessant is als er een webshop is (met de nadruk op één) waar je goeie artikelen uit goeie kranten kunt kopen, voor niet zoveel geld, zeker voor mensen die geen krant hebben. Ik krijg zelf mijn Volkskrant al niet uit.

Merk op dat zo'n webshop zonder kranten niet kan bestaan. Hoe moet dat als al die 50-plussers met een krantenabonnement zijn uitgestorven?

Of er iemand rijk van wordt vraag ik me af. Dan moet er erg veel gelezen worden. Ik zal mijn kinderen eens vragen hoe vaak zie krante-artikelen doortwitteren. 

donderdag 3 oktober 2013

Wat heb je eigenlijk aan communities?



De Correspondent is begonnen met "uitzenden" en heeft hoge verwachtingen, onder andere over de discussies die gaan losbarsten bij ieder artikel. Ik ben sceptisch (zoals altijd), want ik ben een beetje benauwd voor User Generated Content en online kennis delen. Discussiëren over bijdragen op De Correspondent heeft daar wel wat van weg.

Als ik onder een artikel 57 reacties zie is mijn eerste reactie: moet ik die allemaal gaan lezen? Om te beginnen is het heel veel. De lol van een krant was altijd dat een redacteur voor mij bepaalt wat de moeite waard is om te lezen, dat scheelt best een hoop een tijd.

Verder ken ik die 57 mensen niet. Who the hell is Thom Vleeskruyer, om maar een van de reageerders te noemen, en waarom zou ik moeten lezen wat hij vindt? Aparte naam trouwens.

Ik vind het wel mooi dat je onder je eigen naam moet reageren – dat scheelt een boel scheldpartijen à la GeenStijl, die best amusant kunnen zijn, maar niet per se tot dieper inzicht in de dingen des levens leiden.

Overigens denk ik zelf wel tien keer na voor ik mijn sporen nalaat op het Internet. De ledenlijst van de Association for Computational Linguistics van 1985 is, met mijn naam en adres ("Weigeliapk 61"), nog steeds te googelen (ik denk dat je dit zo schrijft), een spoor dat iemand anders ongevraagd voor me heeft achtergelaten en dat iedereen kan volgen.

Er zijn niet zoveel vragen die zich lenen voor een kort, ondubbelzinnig antwoord in een community – en wie heeft op het Net tijd voor een lang verhaal – en het is lastig om te taxeren of je daar mensen met verstand van zaken tegenkomt (en een kijk op de wereld die me aanspreekt) en je weet eigenlijk wel zeker dat je nergens een vertrouwelijk gesprek kunt voeren.

Even een bekende bellen is toch wel handig.